Hersenactiviteit voorspelt effect van Ritalin bij ADHD

30-06-2018

 

 

Hersenactiviteit voorspelt effect van Ritalin bij ADHD
Implicaties voor man-vrouw verschillen

 

Nijmegen, 3 juli 2018 - Vandaag zijn de resultaten van het grote multicenter iSPOT-A onderzoek gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift European Neuropsychopharmacology, waaruit blijkt dat hersenactiviteit kan helpen bij het voorspellen van de respons op Ritalin bij mannelijke adolescenten met ADHD. Daarnaast toonde deze studie duidelijk genderverschillen in hersenactiviteit aan, waarbij hersenactiviteit alleen Ritalin-respons voorspelde bij jongens en niet bij meisjes met ADHD. Er werden geen verschillen in hersenactiviteit gevonden tussen kinderen met en zonder ADHD, wat de waarde van hersenimaging in prognose in plaats van diagnose verder onderstreept.

 

Een internationale groep onderzoekers, waaronder onderzoekers van de Universiteit Utrecht, Onderzoeksinstituut Brainclinics, en de Radboud Universiteit Nijmegen, publiceerden resultaten van het internationale multicenter iSPOT-A onderzoek (International Study to Predict Optimized Treatment in ADHD). Deze studie rekruteerde 336 kinderen en adolescenten met ADHD die vervolgens werden behandeld met methylfenidaat (Ritalin) en 158 kinderen en adolescenten zonder ADHD. Dit is het grootste onderzoek waarbij de hersenactiviteit bij ADHD is gemeten gericht op het voorspellen van de respons op Ritalin. De onderzoekers maten de elektrische activiteit van de hersenen (ook wel EEG of QEEG genoemd) en klinische maten vóór behandeling en ná behandeling. Wanneer we kijken naar verschillen in hersenactiviteit tussen deelnemers met en zonder ADHD, werden er geen verschillen in hersenactiviteit gevonden. Er werd echter een duidelijk verschil gevonden tussen adolescenten die wel en niet reageerden op behandeling met methylfenidaat, zij het alleen voor mannen, wat sekse-specifieke verschillen in de etiologie van ADHD suggereert. 

 

Voorspellen Ritalin-respons in ADHD

Het belangrijkste doel van het onderzoek was om te onderzoeken of hersengebaseerde 'biomarkers', zoals gemeten met QEEG, de behandelrespons konden voorspellen. Deze studie toonde aan dat één enkele biomarker - namelijk Alpha Peak Frequency (APF) - in staat was om de behandelingsrespons op methylfenidaat voor mannelijke adolescenten te voorspellen. Deze studie bevestigd eerdere resultaten in een kleiner onderzoek (Arns et al., 2008) en verschaft tevens nieuwe inzichten door de grotere steekproef. ‘Het meest opvallende aspect van het resultaat van de studie is dat er geen verschil in hersenactiviteit zoals gemeten met behulp van EEG werd gevonden tussen patiënten mét en zonder ADHD, terwijl de hersenactiviteit duidelijk verschillend was tussen mannelijke adolescenten met ADHD die wel en niet reageerden op methylfenidaat, wat verder aantoont dat hersenactiviteit beter gebruikt kan worden voor het stellen van een 'prognose' en niet zozeer voor het stellen van een 'diagnose', en bevestigd daarmee de beperkingen van de DSM-IV/5. Deze bevinding biedt hoop en kan prospectief gebruikt worden om nieuwe behandelingen te ontwikkelen die specifiek gericht zijn op deze biomarker...' zegt Martijn Arns, eerste auteur van het onderzoek. Deze biomarker - eventueel gebruikt in combinatie met andere biomarkers uit de iSPOT studies - kan helpen bij een toekomst van gepersonaliseerde geneeskunde of precisiegeneeskunde, waarbij biomarkers worden gebruikt om patiënten objectief te begeleiden naar de juiste behandeling en kan helpen bij het ontdekken van nieuwe behandelingen gericht op deze subgroep.

 

Referenties:

Arns, M., Vollebregt, M.A., Palmer, D., Spooner, C., Gordon, E., Kohn, M., Clarke, S., Elliott, G., Buitelaar J.K. (2018). Electroencephalographic biomarkers of methylphenidate response in Attention- Deficit/Hyperactivity Disorder. European Neuropsychopharmacology.  doi: 10.1016/j.euroneuro.2018.06.002


Arns, M., Gunkelman, J., Breteler, M., & Spronk, D. (2008). EEG phenotypes predict treatment outcome to stimulants in children with ADHD. Journal of Integrative Neuroscience, 7(3), 421-38.

 

Contact: Martijn Arns