Voor meer informatie over een nieuwe behandeling van depressie middels rTMS klik hier.
Er zijn verschillende soorten antidepressieve medicatie bekend zoals de ouderwetse Tricyclische Antidepressiva (TCA: Doxepine), MAOI remmers, de modernere SSRI’s (Selectieve Serotonine heropname remmers zoals Fluoxetine (Prozac), Paroxetine (Seroxat) en Citalopram (Cipramil)) en ook de SNRI’s (Serotonine Noradrenaline Reuptake inhibitors zoals Venlafaxine (Effexor)). Deze hebben allen een redelijk verschillend farmacologisch werkingsmechanisme. Echter het voorschrijven van deze verschillende klassen bij depressie gebeurt nog steeds door trial-en-error en er zijn vooralsnog geen betrouwbare indicatoren om de effectiviteit van deze middelen te voorspellen (Farmacotherapeutisch Kompas, 2007). Op basis van resultaten van de grootschalige STAR*D studie (Sequenced Treatment Alternatives to Relieve Depression) concludeerde Trivedi et al (2006) dat ongeveer 70% van de patiënten niet adequaat reageert op de behandeling met een SSRI. Dit soort effecten zou natuurlijk ook verklaard kunnen worden door factoren zoals therapie trouw, juiste dosering e.d. Echter, op basis van alle klinische onderzoeken die de afgelopen decennia zijn gedaan naar de effecten van antidepressiva is tenminste duidelijk dat de effectiviteit van - antidepressiva alléén - tussen de 40 en 60% ligt (Keller et al., 2000) en door een recente meta-analyse op basis van alle door farmaceutische bedrijven zelf uitgevoerde klinische onderzoeken wordt zelfs gesteld dat moderne antidepressiva voor de meeste depressieve patiënten geen klinisch relevant effect hebben (Kirsch et al., 2008).
Er is veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om behandeleffectiviteit bij depressie te kunnen voorspellen. Biologische maten, zoals serotonine en noradrenaline neurotransmitter metabolieten, zijn niet betrouwbaar gebleken in het voorspellen van behandeleffectiviteit (Joyce & Paykel, 1989; Bruder et al., 1999). Verder zijn de meer psychologische technieken zoals de NEO-FFI big-five persoonlijkheids vragenlijst (Petersen et al., 2002) en de Tridimensional Personality Questionnaire (Newman et al., 2000) ook geen goede voorspellers gebleken. Recente onderzoeken laten echter zien dat neurofysiologische maten zoals het EEG / QEEG, PET scans en sommige neuropsychologische maten goede voorspellers kunnen zijn voor effectieve behandeling van depressie met medicatie. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de predictoren voor succesvolle behandeling met een SSRI de volgende zijn: een verhoogde alpha EEG activiteit frontaal (Suffin & Emory, 1995; Prichep et al., 1993), relatief intacte executieve functies (Dunkin et al. 2000) en een intacte P300 amplitude (Bruder et al, 1995; 2001). Het lijkt dus zeker de moeite waard om op basis van deze informatie een her-evaluatie van de effectiviteit van antidepressiva uit te voeren, waardoor hoogstwaarschijnlijk een veel hogere effectiviteit zal blijken en een duidelijk klinisch relevant effect van antidepressiva. Dit jaar zal de iSPOT-D studie (international Study for the prediction of Optimized Treatment Response – Depressie) van de Brain Resource Company beginnen waarbij 3.000 patiënten met antidepressiva behandeld worden en een uitgebreid hersenfunctie onderzoek (QEEG, ERP’s, Neuropsychologie, DNA) voor en tijdens behandeling plaats zal vinden. Het is de verwachting dat deze studie tot meer doorslaggevende resultaten zal leiden als het gaat om het personaliseren van behandeling bij depressie.
Verder is uit onderzoek een belangrijke rol gebleken van de volgende hersenstructuren bij stemming: 1) De Dorsolateraal pre-frontaal (DLPFC) cortex (Wasserman & Lisanby, 2001); 2) De subgenual cingulate (SCC) cortex (Mayberg et al., 2005) en 3) Frontale asymmetrie (Davidson, 2004). Bij onder andere depressie is deze kennis al succesvol gebruikt bij de behandeling van stemmingsproblematiek, zoals 1) het stimuleren van de linker DLPFC bij depressie middels magnetische stimulatie ofwel rTMS (Wasserman & Lisanby, 2001); 2) deep-brain stimulation van de SCC (Mayberg et al., 2005) en 3) EEG-biofeedback / Neurofeedback om de frontale asymmetrie te trainen (Baehr, Rosenfeld, Baehr, & Earnest, 1998; 2001). De toepassing van Neurofeedback bij Depressie is wel erg experimenteel, en gezien de aanwezigheid van betere alternatieven voor Depressie zouden deze eerst overwogen moeten worden. Neurofeedback voor de behandeling van ADHD en Epilepsie is wel goed onderzocht en kan wel als evidence-based behandeling gezien worden.
Magnetische hersenstimulatie ofwel rTMS is al veel onderzocht bij Depressie. Omdat het effect van deze behandeling erg duidelijk is (excitatie of inhibitie van de onderliggende cortex) zou de effectiviteit van deze behandeling makkelijker te voorspellen moeten zijn. Eschweiller et al. (2000) hebben bijvoorbeeld laten zien dat patiënten die linkerfrontale hypoactiviteit lieten zien, beter reageerden op stimulatie van de linker DLPFC middels rTMS. In ons onderzoek – waarbij we de rTMS stimulatie personaliseren aan de hand van het QEEG zien we vergelijkbare resultaten. Onze resultaten laten zien dat 75% van de clienten een goed effect heeft van deze behandeling (zie ook figuur 3), waarbij meer dan 90% van deze responders een volledige remissie laten zien binnen ongeveer 20 behandelsessies (Spronk et al., 2008). Belangrijk hierbij is dat deze behandeling ook daadwerkelijk klinisch psychologisch wordt ingebed met gesprekstherapie teneinde een echt langetermijn effect te bereiken.

Figuur 3: Deze figuur laat de resultaten zien van de behandeling van 52 depressieve patiënten met gepersonaliseerde rTMS ondersteunt met gesprekstherapie. Hier is duidelijk te zien dat er een progressieve afname van klachten is op de BDI. Voor meer informatie over dit onderzoek zie ook de onderzoeksresultaten van rTMS bij depressie
Download hier ook een overzichtsartikel over de voorspellende waarde van QEEG. ERP's en neuropsychologische tests voor Antidepressiva bij de behandeling van Depressie.