In onderstaand artikel is te lezen waarom het zo belangrijk is om een QEEG af te nemen voor de start van Neurofeedback therapie. Hierin wordt duidelijk dat er veel verschil zit in hersengolven in een gedragsmatig homogene groep als ADHD. Door de verschillen in hersengolven is gepersonaliseerde Neurofeedback een vereiste. Door middel van het QEEG is het mogelijk om voor iedere cliënt een specifiek Neurofeedback protocol op te stellen wat past bij zijn/haar hersengolven en klachten. Dit wordt ook wel Personalized Medicine genoemd.
Neurofysiologische onderzoeken bij ADHD laten (op basis van groepsdata) ongeveer hetzelfde beeld zien als het gaat om QEEG onderzoek. In de meeste studies wordt een verhoogde trage hersenactiviteit (theta) gevonden (Hermens et al., 2004; Mann et al., 1992; Chabot and Serfontein, 1996; Clarke et al., 1998, 2001; Lazzaro et al., 1998, 1999) en een verlaagde snelle hersenactiviteit (beta) (Hermens et al., 2004; Clarke et al., 1998; Mann et al., 1992; Lazzaro et al., 1998, 1999). Theta EEG activiteit wordt vaak geassocieerd met een onoplettende of dromerige toestand, en beta activiteit wordt vaak gezien wanneer het brein druk bezig is met bijvoorbeeld een cognitieve taak. In figuur 1 is hier een voorbeeld van te zien op basis van data uit de Brain Resource International Brain Database van 275 patiënten met ADHD. In dit voorbeeld is duidelijk de verhoogde theta en verlaagde beta te zien, dit zie je vooral aan de voorkant van het hoofd.
 |
THETA BETA RELATIEVE BETA
Figuur 1: Deze figuur laat de gemiddelde hersenactiviteit (kwantitatief EEG – QEEG) van 275 kinderen met ADHD zien, vergeleken met een controle groep. Links is de verhoogde Theta EEG activiteit (p<.0001) te zien, in het midden de verlaagde absolute Beta EEG activiteit (p<.0001) en rechts de verlaagde relatieve Beta EEG activiteit (p<.0001). Deze afwijkende hersenactiviteit zie je aan de voorkant en het midden van het hoofd. Dit patroon wordt in bijna alle ADHD onderzoeken gevonden. |
Echter wanneer je naar de individuele data kijkt (zie figuur 2) dan komt er een heel ander beeld naar voren. In figuur 2 zijn de individuele data weergeven van 36 willekeurige ADHD patiënten uit dezelfde Brain Resource International Brain Database. In de tabel hieronder is Theta – Rood; Alpha – Geel en Beta – licht blauw. De kwantitatieve EEG (QEEG) data van deze kinderen - ofwel QEEG’s - zijn vergeleken met een normatieve database van meer dan 5000 gezonde controles waardoor een individuele vergelijking mogelijk wordt. Hier is duidelijk te zien dat inderdaad 47% van de ADHD patiënten een verhoogde theta activiteit laat zien. Echter, maar 5,6% van de patiënten laat een verlaagde bèta activiteit zien en wel 22% laat een verhoogde beta activiteit zien. De verhoogde beta zal in veel gevallen verklaart kunnen worden door de aanwezigheid van beta spindles, die bij zo'n 20% van de kinderen met ADHD voorkomen en die een geheel andere behandelstrategie vergen. De verschillen die je in hersengolven ziet, binnen een gedragsmatig homogene groep zoals ADHD, zijn dus erg groot.

Figuur 2: Deze figuur laat de EEG data zien van 36 willekeurige kinderen (4-cijferige ID codes) met ADHD uit dezelfde dataset als in figuur 1. Echter, hier zijn alle individuele data te zien. Inderdaad laten sommige kinderen een verhoogde Theta EEG activiteit zien (47%), echter maar 5,6 % van de kinderen laat een verlaagde Beta EEG activiteit zien en wel 22% laat een verhoogde Beta EEG activiteit zien. Zie hier het contrast tussen individuele data en groepsdata.
Gezien het feit dat Ritalin bij ongeveer 20-40% van de patiënten met ADHD geen klinisch relevant effect heeft (Swanson et al., 1993; Gordon, 2007) lijkt het aannemelijk dat de oorzaak hiervan is te vinden in deze verschillen in hersengolven van individuen.
De groep van ADHD kinderen waarover we hierboven rapporteerden zijn onderdeel van een grootschalig klinisch onderzoek, en om die reden zijn al deze kinderen ook behandeld met een stimulantia zoals Ritalin. Hierdoor konden we bovenstaande stelling ook toetsen. Een groep van 50 van deze kinderen zijn in verschillende groepen verdeeld op basis van hun individuele EEG Phenotypen, zoals te zien in Figuur 3. Hieruit bleek dat alleen de groep met teveel trage activiteit aan de voorkant van het hoofd (frontale theta) positief reageerde op de medicatie (Stimulantia: Methylfenidaat - Ritalin), Zij lieten namelijk een verbetering zien op een volgehouden aandachtstaak (CPT; continous performance test), terwijl andere groepen geen verbetering op de CPT lieten zien ten gevolge van medicatie (Arns et al. submitted).
Vergelijkbare onderzoeken bij ADHD hebben laten zien dat patiënten die goed reageren op Stimulantia zoals Ritalin inderdaad meer trage hersenactiviteit aan de voorkant van het hoofd laten zien (Delta en Theta: Clarke et al., 2002; Satterfield et al., 1972; Suffin & Emory, 1995). Hier is dus duidelijk sprake van een goed te identificeren sub-type ADHD die goed reageert op medicatie. Deze kennis kan daarom uitermate goed ingezet worden om behandeling bij ADHD te personaliseren bij zowel farmacotherapie als EEG Biofeedback / Neurofeedback behandeling. Door de verschillen in hersengoven is gepersonaliseerde Neurofeedback een vereiste. Door middel van het QEEG is het mogelijk om voor iedere cliënt een specifiek Neurofeedback protocol op te stellen wat past bij zijn/haar hersengolven en klachten.

Figuur 3: In de figuur hierboven is het voorkomen van verschillende EEG Phenotypen (verschillende typen EEG) terug te vinden voor een groep kinderen met ADHD en een gematchte controle groep. Hierin is duidelijke te zien dat ADHD en controle kinderen met name verschillen op Frontal Slow, Slow Alpha Peak Frequency, Low Voltage en Frontal Alpha. Dit laat duidelijk zien dat er binnen een groep patienten, maar ook binnen een groep 'gezonde' kinderen een grote diversiteit aan EEG patronen te zien. Volgens de literatuur zullen deze ADHD patienten ook elk op een ander medicament reageren, de Frontral Slow zal het best op Ritalin reageren (Arns et al., submitted) en de Frontal Alpha op een SSRI (een antidepressivum: Suffin & Emory, 1995).
Voor meer informatie over cliënt ervaringen met Neurofeedback zie ook de sectie cliënt ervaringen.
Voor meer informatie over de QEEG en Neuropsychologische methoden die door Brainclinics gebruikt worden zie ook de professionele sectie over QEEG.