Depressie

 

Te hoge of te lage thèta?

De eerder gerapporteerde verhoogde thèta bij non-responders op rTMS behandeling komt overeen met eerdere studies die lieten zien dat non-responders op antidepressiva ook verhoogde thèta lieten zien (Iosifescu et al., 2009; Knott et al., 2000; Knott et al., 1996). Thèta is voornamelijk verhoogd in fronto-centrale locaties en niet specifiek in de frontale middellijn zoals gerapporteerd door Arns (2011), terwijl Spronk et al. (2010) juist een verhoogde thèta op Fz (middellijn locatie) gevonden is die gerelateerd was aan een beter behandelresultaat op antidepressiva. Frontale middellijn thèta is gelokaliseerd in de mediale prefrontale cortex en de anterior cingulate (Asada et al., 1999; Ishii et al., 1999) en een recente meta-analysis heeft overtuigend laten zien dat thèta in de rostrale anterior cingulate cortex een betrouwbare maat voor een gunstige behandeluitkomst is (Pizzagalli, 2011). De resultaten van Arns (2011) wijzen dus eerder op een gegeneraliseerde verhoogde thèta in non-responders in plaats van frontale middellijn thèta die voortkomt uit de anterior cingulate, in overeenstemming met de resultaten van Knott et al. (2000; 1996) en Iosifescu et al. (2009).

 

Figuur 4 is ontleend aan een onderzoek van Hegerl et al. (2011) en geeft de EEG Vigilantie regulatie weer bij depressieve patiënten (N=30) vergeleken met een controlegroep (N=30). Zoals deze figuur laat zien is er een duidelijk verschil in EEG vigilantie regulatie bij depressieve patiënten vergeleken met een controlegroep. In lijn met de EEG vigilantie theorie, laten depressieve patiënten een hyperstabiele vigilantie regulatie zien, met name te zien in het meer voorkomen van A1 stadia (pariëtale alfa) en een afname van B2/3 en C stadia (frontale thèta). Dit is in overeenstemming met een onderzoek van Ulrich and Fürstenberg (1999) en andere onderzoeken die een toename van pariëtale alfa bij depressie laten zien (Itil, 1983; Pollock & Schneider, 1990). Verder lieten de EEG fenotype resultaten uit supplement 1 van hoofdstuk 7 een trend zien dat het frontale alfa EEG fenotype minder vaak aanwezig was in de depressiegroep en suggereert minder van de lagere A3 vigilantie stadia – en dus meer verhoogde vigilantiestadia zoals A1. In zijn onderzoek beschrijft Vogel (1970) een ‘Monotonous High Alpha Waves’ met een autosomale dominantie van erfelijkheid. De beschrijving van dit door Vogel gerapporteerde EEG patroon (‘Kontinuität’) komt zeer overeen met de ‘hyper-rigide’ of ‘hyperstabiele’ EEG vigilantie bevonden door Hegerl et al. (2011) en suggereert dat dit inderdaad een stabiele EEG vigilantie regulatie reflecteert met een erfelijke component.


Figuur 4: EEG Vigilantie regulatie over een tijdspanne van 15 minuten bij depressieve patiënten en een gezonde controlegroep. Depressieve patiënten laten een hyperstabiele vigilantie regulatie zien, door een vaker voorkomen van A1 stadia (pariëtale alpha) en minder B2/3 en C stadia (frontale thèta). Uit: Hegerl et al. (2011).

 

Een verhoogde alfa EEG activiteit vóór behandeling is daarnaast ook geassocieerd met betere behandelresultaten van antidepressiva (Bruder et al., 2001; Ulrich et al., 1984) en de meeste antidepressiva resulteerden ook in een afname van alfa-activiteit (zie: Itil (1983) voor een overzicht). De gerapporteerde subgroep van non-responders uit hoofdstuk 10 die gekenmerkt werden door een verhoogde frontale thèta kunnen dus geïnterpreteerd worden als een subgroep met een verlaagde EEG vigilantie regulatie (Arns, 2010a; Hegerl et al., 2010), in tegenstelling tot de hierboven beschreven verhoogde vigilantie of hyperstabiele vigilantie regulatie (‘hyperstabiele’ pariëtale alfa). Aangezien patiënten met een verlaagde EEG vigilantie regulatie beter op psychostimulantia reageren (Manische depressiviteit: Bschor et al., 2001; Hegerl et al., 2010; Schoenknecht et al., 2010; ADHD: Arns et al., 2008; Sander et al., 2010) is te verwachten dat deze subgroep van non-responders misschien beter op psychostimulantia of andere vigilantie-stabiliserende behandelingen reageren. Psychostimulantia zijn reeds succesvol toegepast in een subgroep van depressieve patiënten die een verhoogde thèta lieten zien door Suffin en Emory (1995), recentelijk ook gerepliceerd in een prospectief gerandomiseerde onderzoek (Debattista et al., 2010). Een recente Cochrane review toonde ook aan dat psychostimulantia klinische effecten kunnen hebben op stemming en vermoeidheid, al waren er te weinig gecontroleerde onderzoeken aanwezig om hier een steekhoudende conclusie over te trekken (Candy et al., 2008). In lijn met de speculatie dat een verstoorde circadiane ritmiek en (in)slaapproblemen mogelijk als de kern pathofysiologie bij ADHD gezien kunnen worden, zouden toekomstige onderzoeken zich moeten richten op het verder onderzoeken van EEG vigilantie regulatie en de aanwezigheid van slaapproblemen en verstoorde circadiane ritmiek in deze subgroep van non-responders bij depressie om zo een geschiktere behandeling voor deze patiënten te ontwikkelen. Figuur 4 laat ook duidelijk zien dat bij depressie tot vijftien minuten durende EEG opnamen met gesloten ogen nodig zijn om betrouwbare verschillen in EEG vigilantie regulatie aan te kunnen tonen. Dit was de voornaamste reden dat dit niet getest is met deze dataset, gezien deze beperkt was tot 2 minuten met gesloten ogen.

 

Samenvattend: Responders op antidepressieve-behandelingen zoals antidepressiva en rTMS worden over het algemeen gekarakteriseerd door verhoogde pariëtale alfa (ofwel een ‘hyperstabiele’ vigilantie regulatie) en een verhoogde thèta in de rostral anterior cingulate (Pizzagalli, 2011) in het EEG weerspiegeld als frontale-middellijn thèta (Asada et al., 1999; Ishii et al., 1999). Een subgroep van non-responders op antidepressiva is gekarakteriseerd door verhoogde frontale thèta, wijzend op een verlaagde EEG vigilantie regulatie. Er zijn aanwijzingen dat deze groep beter zouden kunnen reageren op vigilantie-stabiliserende behandelingen zoals psychostimulantia of slaap-normaliserende behandelingen zoals melatonine. In dit verband is het interessant dat recentelijk een nieuw antidepressivum op de markt is gekomen dat met name werkt op Melatonine MT1/MT2 receptor genaamd Agomelatine (Demyttenaera, In Press). Een laatste subgroep van non-responders op antidepressieve behandelingen worden gekenmerkt door een vertraagde alfa piek frequentie (iAPF), wat in het hiernavolgende verder wordt besproken.